dinsdag 8 juli 2014
Reünie
Ze was een jaar ouder dan ik en zat een klas boven mij. Zoveel zou ik normaal dus niet met haar te maken hebben, ware het niet dat ze uit dezelfde buurt kwam als ik en net als ik met de bus naar school ging. We waren een groepje kinderen, in leeftijd variërend van 7 tot 12, busabbonnementjes bungelend aan een touwtje om onze nek - onze ouders hadden allemaal een reden om ons naar deze school te sturen, die bekend stond om een bepaalde vorm van onderwijs, in tegenstelling tot de school die bij ons in de buurt lag en bij de parochie hoorde. Katholiek onderwijs, uiteraard. Maar dan toch liever met iets minder allochtone kinderen - al was het geen officieel argument, ik weet zeker dat het meespeelde.
Waarom ze de pik op me had, weet ik niet. Waarschijnlijk was ik het ideale slachtoffer - net iets minder weerbaar, net iets trager in mijn reacties. Als ik er niet was geweest, als mijn ouders me naar die andere school hadden gestuurd, had ze ongetwijfeld een ander slachtoffer gekozen. Misschien had haar jongere zusje, die ze onwillig meezeulde en regelmatig afsnauwde - het dan nóg zwaarder te verduren gehad. Wie zal het zeggen.
Het lag natuurlijk aan mìj. Ik was de sukkel, de loser. Een rare, een slome, een nerd. Anders dan de anderen. Die overtuiging, die mijn kinderziel binnensloop als een gemeen virus dat zich gaandeweg verspreidde, was zo hardnekkig dat het me jaren aan therapie heeft gekost om me van die overtuiging te bevrijden. Daaraan is zij niet als enige verantwoordelijk; toen ik op de middelbare school kwam -waar ik een nieuwe start hoopte te maken- begon het pesten opnieuw. Ik dacht van haar verlost te zijn, maar er kwam gewoon een ander, die de taak van haar overnam. Dit keer zat de pester wèl bij mij in de klas. Kon ik haar op de lagere school nog deels ontlopen - door een bus later of eerder te nemen, op de middelbare school was er geen ontkomen aan. Die tweede pest-periode op de middelbare school heeft er bij mij veel harder in gehakt dan de eerste. Ik vertrouwde niemand meer, voelde me eenzaam, waardeloos en depressief.
Toen ik onlangs een uitnodiging kreeg voor een reünie van mijn lagere school, heb ik uiteraard stil gestaan bij de mogelijkheid dat ik haar tegen zou kunnen komen. Hoe zou dat zijn? Was ik nog steeds bang voor haar? Nee, vreemd genoeg - en gelukkig maar - merkte ik dat dat niet het geval was. Ik was eerder nieuwsgierig: wat zou er van haar geworden zijn? Als ze er zou zijn, zou ik het dan gedurfd hebben? Om naar haar toe te gaan en te vragen: hee, waarom? Waarom deed je dat eigenlijk? Ik weet het niet, want ze was er niet - en haar jongere zusje evenmin.
Ik heb haar wel eens gegoogled. Facebook, Linked In, Schoolbank. Niks, noppes, nada. Het zegt niet veel, want de combinatie van haar voor- en achternaam komt waarschijnlijk duizenden keren voor. Die andere, die van de middelbare school, kán ik niet eens googlen, want ik weet haar achternaam niet meer.
Ik heb overigens een geweldig leuke reünie gehad. Bijgekletst met heel veel mensen van vroeger die ik al die tijd uit het oog was verloren. Herinneringen opgehaald en het verleden tot leven gebracht - het verleden, dat gelukkig ook heel veel goede momenten heeft gekend. Genoten heb ik! Niet langer het bange, verlegen meisje van vroeger. Slechts enkele keren heb ik terloops geinformeerd bij mensen die haar gekend zouden kunnen hebben, maar niemand wist iets over haar te vertellen.
Want de nieuwsgierigheid blijft. Wat drijft een pestkop? Pure slechtheid? Welnee. Waarschijnlijk was ze zelf slachtoffer. Van wat, van wie? Het kan zoveel zijn. Pesten is een signaal. Een signaal waar tegenwoordig gelukkig veel meer aandacht voor is dan vroeger, in 'onze' tijd.
Abonneren op:
Posts (Atom)